4 februari 2011

Kostenpost

Kaartjes sturen is een mooi fenomeen. Je kunt er mensen op een eenvoudige manier blij mee maken, zeker in deze tijd van e-mail, ping, WhatsApp, sms en meer van dat soort veel te moderne communicatiemiddelen.

Bovendien bestaan er mensen die ook blij worden van het versturen van zo’n stukje papier. Helaas behoor ik tot die categorie. Helaas, want bij frequente uitoefening is het een dure hobby. Fabrikanten zijn van mening dat ze gerust drie euro kunnen vragen voor een bedrukt stuk papier met envelop. TNT is van mening dat het gerust 46 cent kan vragen voor de bezorging van de papieren boodschap.

Toch vraag ik me af waar die 46 cent nou naartoe gaat. Want er zijn een paar dingen aan de postbezorging in Nederland die ik niet begrijp.

Denkend aan een willekeurig uitzendbureau in een al even willekeurige stad zie ik de naast elkaar geplakte A4’tjes al hangen: ‘Postbezorgers gezocht’. En dat in tijden waarin er 11.000 ontslagen vallen bij TNT. Ja, als je zoveel mensen ontslaat snap ik wel dat je vervolgens weer nieuwe werknemers zoekt.

Toch wordt mijn post nog steeds (of: weer) netjes bezorgd. Heel netjes. Drie-keer-per-dag-netjes. Gisteren haalde ik om twaalf uur de post uit mijn brievenbus. Om drie uur ging ik naar college en keek ik opnieuw even in de bus. Ik verwachtte een pakketje en onder het motto ‘je weet maar nooit’ lichtte ik het klepje van de brievenbus nogmaals op. Jawel: er lag een nieuwe lading post in, inclusief pakketje. Ik liet het liggen en zou het na college mee naar binnen nemen.

Half zes: na twee uur zwoegen tijdens mijn eerste, laatste en enige college van de week kwam ik thuis. Bij het openen van de brievenbus zag ik mijn pakketje niet meer liggen. Het was bedolven onder een nieuwe lading post.

Lief kabinet, ik snap dat privatisering voor marktwerking zorgt. Maar drie mannetjes die allemaal langs mijn huis moeten lopen om allemaal een andere brief in mijn brievenbus te stoppen, dat kan toch nooit de bedoeling zijn?

Geef mij maar gewoon die oude, vertrouwde postbode die iedereen kent. Die zijn werk al dertig jaar doet en met iedereen een praatje maakt. Mijn postbezorgers zijn gemiddeld jonger dan ik ben en hebben standaard oordoppen in hun horen. En denken dat ze uitgeprinte e-mails bezorgen van kantoren waar het internet plat ligt.

Ach ja. Met die 46 cent sponsor ik ze graag.

29 januari 2011

Waarom Donald Duck eigenlijk hetzelfde is als Albert Heijn

Het moet zo’n tien jaar geleden zijn dat ik voor het laatst een Donald Duck open heb geslagen. Een verfrommeld blaadje dat op zijn beurt waarschijnlijk al tien jaar oud was. En toch weet ik nog wat erin stond, behalve een onovertroffen verhaal over Donald en kornuiten.

Op bladzijde één stond een tekening. Het was een rubriek, waar de redactie wekelijks tientallen inzendingen voor moet hebben gekregen. ‘Teken je favoriete Donald Duck-figuur’ was de opdracht, waarna Sam uit Slochteren en Lisa uit Lommel hun tekendoos uit de kast haalden en met hun tong een stukje uit hun mond een uur geconcentreerd begonnen te kleuren.

Ook was er de rubriek waarvoor je een vreemd woord kon insturen. Een woord dat niet echt bestond, maar dat je thuis of met je vriendjes vaak gebruikte. Toen ik die rubriek las, kwam ik tot een inzicht. ‘Karnemelkmetwatterin’ was geen echt bestaand woord. Het was verzonnen. Door de vader des huizes. Door papa.

Ik zou het woord gaan insturen. En er een mooi verhaal bij vertellen. “Ik drink thuis vaak karnemelkmetwatterin. Dat is zelfgemaakte Yoghi. We maken het door wat in de karnemelk te doen: limonadesiroop.”

Tot die dag, zo’n tien jaar geleden, had ik altijd gedacht dat het één woord was, karnemelkmetwatterin. Of hooguit drie. Karnemelk-met-watterin. Het was een pijnlijk moment toen ik er op mijn elfde achterkwam dat Van Dale het daar niet mee eens was.

In de jaren daarna volgden meer pijnlijke momenten. Klasgenootjes bleken geen vader te hebben die kippen slacht. En welbekende familietradities bleken niet door de rest van Nederland gebezigd te worden.

Het gebeurde op mijn verjaardag, half juni. Het was mooi weer en in een burgerlijk kringetje zaten moeder, buurvrouw en tante met bijbehorende echtgenoten in de tuin. Ik zat ertussen. Binnen werd de volumeknop naar rechts gedraaid. De keukenramen werden opengezet. En de muziek schalde naar buiten.

Marsmuziek, om precies te zijn. Marsmuziek die bij het derde of vierde liedje een paar keer overslaat. “Opa heeft het bandje een keer laten vallen”, is de welbekende uitleg. Marsmuziek die op elke verjaardag wordt gedraaid. Marsmuziek die voor vreemde gezichten zorgde toen op diezelfde verjaardag vriendinnetjes hun opwachting maakten. En marsmuziek die onder de nieuwste reclame van Albert Heijn zit.

Vanmorgen kwam ik weer tot een inzicht. ‘Mijn’ marsmuziek is ook bekend bij de rest van Nederland. En niet als verjaardagsmuziek. Maar als Koning Voetbal. En dus werd de mars door meneer Heijn gebruikt om de voetbalplaatjes mee te promoten. Logisch.

Mijn wereld is weer een stukje groter geworden. De verjaardagsmuziek is de verjaardagsmuziek niet meer. En mijn verjaardag zal nooit meer hetzelfde zijn.

16 december 2010

Ik hoop dat ik bijzonder ben

Schrijven over het openbaar vervoer is als een open deur intrappen. Woorden die de chaos, drukte en overlast uitdrukken als treinen of bussen niet of niet op tijd rijden. Of woorden die het geluk en de verbazing uitdrukken als dat juist een keer wel gebeurt. En vervolgens de herkenning in de reacties van lezers. 
 

1 oktober 2010

'Heb je er last van?'

Het was rustig in de wachtkamer. Een semi-kwaliteitskrant lag naast me op het tafeltje, waar verder enkele semi-interessante vrouwenbladen lagen. De minuscule televisie in het hoekje van de kamer liet zien hoe neushoornen in het wild leven. Meneer de tandarts houdt van National Geographic, denk ik. Of hij denkt dat zijn cliënten daarvan houden. Ik denk dat niet.

Net even voor negenen was het, maandagochtend. Mijn favoriete tijd en dag voor de halfjaarlijkse controle. Een echte aanrader, ook. Geen uitgelopen consulten voor je, waar je een kwartier op moet wachten, want je bent de eerste deze ochtend. En geen vermoeide, lusteloze man die verveeld naar het zeventigste gebit die dag kijkt, omdat jouw tanden de eerste van de week zijn die hij bewondert.


Want dat is ook een reden waarom ik de beste man altijd op de vroege maandagmorgen met een bezoekje verblijdt. Ik hoop elke keer weer dat hij in het weekend tot nieuwe inzichten is gekomen, dat hij fris en uitgeslapen is, en dat hij mijn tandheelkundige problemen op gaat lossen.

“Mijn tanden lijken niet meer zo wit als vroeger”, vertelde ik hem anderhalf jaar geleden. “Kan ik daar iets aan doen? Ik vind het niet zo mooi.” De tandarts keek me aan, ik zag iets van medelijden in zijn ogen. “Tja, dat is erfelijk, de kleur van je tanden. Maar als je er echt last van hebt kan ik je wel doorsturen naar een tandenbleeksalon.” Ik ben niet van plan later voor Prodent te gaan werken. Laat maar.

“Er zitten een paar vreemde barstjes in mijn voortand”, vertelde ik hem een jaar geleden. “Kan dat komen doordat mijn tanden tegen elkaar groeien?” De tandarts schudde zijn hoofd. “Nee, hoor. Maak je maar geen zorgen. Je tanden zijn uitgegroeid. Dat kan helemaal niet.” Ik haalde opgelucht adem en gleed van de stoel af.

“Mijn voortanden groeien over elkaar”, vertelde ik hem een halfjaar geleden. “Moet ik nu een beugel?” De tandarts keek me geruststellend aan. “Heb je er last van?” hoorde ik hem vragen. “Nee”, was mijn antwoord. “Mocht je het ooit vervelend gaan vinden, dan kan ik je altijd doorsturen naar een orthodontist”, zei hij. Ik mompelde nog ‘dankjewel’ en liep de kamer uit.

“Er is een stukje van mijn voortand verdwenen”, vertelde ik hem vorige week. “Zomaar. Ik keek in de spiegel en opeens zag ik dat het weg was.” De tandarts keek uitgebreid naar de plek waar twee weken geleden nog iets, en nu niets meer zat. “Heb je er last van? Is het scherp?” vroeg hij. Ik zei van niet. “Dan doen we er niets aan. Over tien jaar is dat wel weer bijgesleten”, zei hij met een grijns. Onthutst liep ik naar buiten.

Deze week kwamen twee vriendinnen klagend naar me toe omdat hun verstandskiezen getrokken waren. De een met een nog dikkere wang dan de ander. Ik denk dat mijn verstandskiezen nooit getrokken hoeven te worden.

“Heb je er last van?” vroeg de tandarts. “Ja, het doet best veel pijn”, zuchtte ik. “Ach, over tien jaar is dat wel weer over”, zei hij met een grijns.

30 september 2010

Krattenkwaad

Het was vijf over negen in de ochtend en ik zag er een voorbij fietsen. Toen het zeven over negen was, fietste er nog een langs. En toen ik langs de middelbare school reed, fietste er een invasie langs.

Aangekomen bij de universiteit waren ze uit het zicht verdwenen. Hoewel voor mijn ogen fietsen in alle kleuren en modellen opdoemden, rijwielen met vijf bellen op het stuur of vijf spaken in het wiel verschenen en dito eigenaren hun pronkstuk een voor een op slot zetten, zag ik er niet wat ik eerder die ochtend nog zag. De krat was zoek. 


De krat van vijf over negen was een zwarte. Die van zeven over negen was versierd met bloemetjes. En de exemplaren die zich bij de middelbare school in mijn gezichtsveld begaven, liepen uiteen van roze tot wit, van hout tot plastic en van frisdrank- tot bierkrat.

Anno 2010 fietst Nederland op een fiets met krat. Voorop, welteverstaan. Rugzakken: zó 2009. Fietstassen: zó 2008. Maar de fietskrat die ‘zó 1956’ is, mag retro genoemd worden en is dus weer wel hip. Mode is best simpel.

Kenmerkend voor mode is ook de studenten er meestal maar weinig aan meedoen. Natuurlijk, ze proberen het wel. En een enkeling slaagt er ook in. Maar meestal volstaat toch de heilige S-eenheid: spijkerbroek, slobbertrui, sneakers.

Maar het gaat niet alleen om kleding. Ook modieuze accessoires, gadgets en andere attributen doen het meestal slecht onder de dames en heren studenten. Zo ook de fietskrat. Bierkratten zet je niet op een fiets. Die gebruik je als stoel of je levert hem in, zodat je weer een dag kan eten.

Het contrast kan niet groter zijn met de gemiddelde twaalfjarige in Nederland. Jongens kiezen voor de bierkrat (overigens opvallend vaak van het merk Heineken – hoeveel Hertog Jan aanprijzende vaders zouden tegen wil en dank zo’n kratje leeg hebben moeten drinken voor zoonlief?) want “dat is mannelijker”. Meisjes gaan veelal voor de rieten mand met bloemenslingers. “Dat vinden we mooier.”

Mannelijk of mooi, mijn rationele ik is toch ook altijd op zoek naar de functionaliteit van dit soort attributen. Je kan je boodschappen erin kwijt als je rugzak al vol zit, en je kunt snel bij de spullen die je erin vervoert. Prima. Maar je kunt er geen scherpe bochten mee maken, minder goed mee sturen en je fiets valt sneller om, volgens Veilig Verkeer Nederland. Minpuntjes. Om nog maar te zwijgen over de functionaliteit van een bierkrat met vakjes op je fiets. Dan kan je al je spullen in je krat mooi in 24 hokjes rangschikken?

Ik ben er nog niet over uit. Misschien vraag ik er wel een aan Sinterklaas – hoewel fietskratten over drie maanden waarschijnlijk al compleet not done zijn. Wie het wel weet: koop er een op internet voor vijftien euro. Met een leuke bijpassende stoffen polkadothoes voor acht euro erbij. Denk maar niet aan de productiekosten van deze artikelen. Die liggen rond de anderhalve euro. Betaal fijn het tienvoudige en wees hip – voor zo lang het duurt.